Bijwoorden beschrijven werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden of andere bijwoorden en vertellen ons hoe, wanneer, waar, of in welke mate iets gebeurt.
Om te beschrijven hoe een vis beweegt, kunt u bijwoorden gebruiken zoals:
* snel: De vis zwom snel door het water.
* gracieus: De dolfijn bewoog zich gracieus door de oceaan.
* snel: De zalm zwom snel stroomopwaarts.
U kunt ook bijwoorden gebruiken om te beschrijven hoe een vis eruit ziet of handelt:
* stil: De vis bewoog zwijgend door de tank.
* Vreemd genoeg: De vis staarde nieuwsgierig naar de nieuwe plant.
* agressief: De vis verdedigde zijn territorium agressief.
Dus, in plaats van een bijwoord voor 'vissen', zou je bijwoorden gebruiken die de acties of kenmerken van de vis zelf beschrijven.